The Original Tradition
Mother Worship

 

 

 

Een nieuw boek over de Grote Moeder
A. van der Meer "Van Venus tot Madonna", 2006 Synthese

Een artikel hierover verscheen in Trouw dd 7 maart 2006. De tekst spreekt voor zichzelf. Op het eerste gezicht lijkt het een heel goed boek te zijn. De schrijfster geeft een historisch overzicht. Hetgeen een buitengewoon volledige indruk maakt*. De indeling in hoofdstukjes is ronduit origineel. Het werk is dus veel omvattend, zodat je met dit boek een goed overzicht hebt over de ontwikkeling van de Moederreligie sinds het begin der tijden. Kortom, dit boek is een grote aanwinst. Het verrassende is, dat het juist nu verschenen is. Zelf zegt de schrijfster, dat de Grote Moeder pas rond 2000 weer bovengronds is gekomen.

De datering valt ietsje eerder. Het valt samen met "deze meest kritieke tijd". Een tijd waarin het fiasco van het patriarchaat steeds duidelijk is geworden. De Moeder heeft "Haar terugkeer in de geschiedenis dus goed voorbereid". Centraal staat Haar Openbaring aan ondergetekende. Dit vond plaats in 1977 (en werd inderdaad precies in het jaar 2000 ten volle herkend....). In deze unieke gebeurtenis heeft Zij ZichZelf aan de wereld meegedeeld. Zij is het Vacuum, de Kosmische Baarmoeder, waar alles zonder uitzondering - zowel "God" als de wereld - uit geboren wordt, en voortdurend in terugkeert. Hoewel de schrijfster bevestigt dat "het mannelijke uit het vrouwelijke voortkomt", trekt zij de consequentie niet door tot het Transcendente. Vandaar dat zij blijft steken in de Moeder als "God". De Werkelijkheid is echter, dat "God" uit Haar voortkomt.

Er is dus een hiërarchie waarin de Moeder aan gene zijde van "God" is, Zij is de de Leegte achter de Leegte. Voor mij is Zij geen begrip, beeld, persoon, laat staan een "archetype", zelfs niet een ervaring, maar de Ultieme Werkelijkheid Zelf die Zich aan mij heeft geopenbaard, ja, het is Dat-Wat-Ik-Uiteindelijk-Zelf-(Niet)Ben net als ieder ander Dat Uiteindelijk (Niet)Is. Dit keerpunt is het begin van een Nieuw Tijdperk. Een Tijdperk, waarin het "Eeuwig-Vrouwelijke" het wereldbeeld zal gaan bepalen. Iedereen is dus, zonder uitzondering, (goddelijk) kind van de Moeder. Niet zoals de sommige feministes (inclusief de schrijfster, die op vele plaatsen de Moeder met vrouwen identificeert) menen, namelijk, dat de Moeder uitsluitend of vooral vrouwenbelangen zou moeten dienen.

Hetgeen jammer is, aangezien de universaliteit van de Moeder daardoor tekortgedaan wordt. Het wezenskenmerk van de Grote Moeder is nu juist, dat Zij Alles-Omarmend is, zonder uitzondering. Zij omarmt vrouwen, mannen, kinderen, dieren, bomen, planten, rivieren en bergen gelijkelijk. Dus is het met name ook een uitnodiging aan mannen om hun vrouwelijk aspect ("anima") te gaan ontwikkelen. Dat de Openbaring van Haar spirituele Werkelijkheid nu is aangevuld met een prachtig boek over Haar geschiedenis en mythologie, is zeker geen toeval. Het ondersteunt al diegenen, die de Weg terug naar de Oorsprong zoeken. Ondanks de kritiek ben ik blij met Van der Meer's prestatie.

* Veel is terug te vinden in het boek "The Myth of the Goddess" van A.Baring/J.Cashford, London 1993

LEZINGENCYCLUS "TERUGKEER VAN DE GROTE MOEDER" van 5 en 19 oct. & 2 en 16 nov. 2005 door Han Marie Stiekema Sermes.

DVD SET VAN 4 DVD's. 1) Geschiedenis/Mythologie 2) Spiritualiteit 3) Gender en maatschappij 4) Moeder healing. Wordt binnenkort uitgebracht.

 

Een eye-opener
J. Carrette & R.King "Spiritualiteit in de uitverkoop", 2006 Ten Have

Dit boek zou door iedereen die zich "met spiritualiteit bezighoudt" gelezen moeten worden. Centraal thema is de verloedering van de spiritualiteit, zoals die hedentendage steeds meer zichtbaar wordt. Vele zullen zich verwonderd afvragen, wat hiermee bedoeld wordt. Want is de spiritualiteit nu juist geen teken van hoop, een uitweg uit de huidige crisis? Voor diegenen zal het boek een schok zijn. Het punt is, dat we vandaag de dag al zo gewend zijn aan zelfbetrokken vormen van spiritualiteit, dat we niet beseffen wat er verloren is gegaan. Om ons geheugen op te frissen, geven de schrijvers ons daarom eerst een "definitie" van spiritualiteit, vervolgens een historisch overzicht, waarna de verschillende fasen van degeneratie worden besproken.

Heel verhelderend is het inzicht, dat de verloedering zich in twee etappen heeft afgespeeld. De eerste was die van de psychologisering cq individualisering. Transcendente ervaringen en begrippen werden gereduceerd tot aspecten van de eigen ziel. Dat-Wat-Groter-Is dan jezelf werd teruggebracht tot "je ware Zelf". Het Goddelijke, dat uitsluitend nog "in jeZelf zit". Het gevolg was (is), dat de relatie met het Grote Geheel, daar waar wij deel vanuit maken verloren ging. De verbindende factor van het bestaan viel weg. Ironisch genoeg zijn ook beroemde mensen als C.G.Jung hier mede schuld aan. Zijn theorieën waren zo fascinerend, dat men niet in de gaten had, dat er in feite een verarming had plaatsgevonden.

Het mondde uit in een vorm van "spiritualiteit" waarin het alleen nog om jezelf gaat. Het gaat om verrijking van het ego, in plaats van het opgeven daarvan. In feite heeft het Christendom hiervoor de basis gelegd. Immers, daar ging het ook voornamelijk om "het eigen zieleheil". Het oogst nu wat het zelf heeft gezaaid. Tegenwoordig is de hypocrisie van de new age het enerzijds praten over "Eenheid", "Harmonie" en "Verbondenheid", terwijl in feite zelfzuchtige doeleinden als "uitsteken boven anderen", "bijzonder willen zijn", spirituele ambitie en zelfverrijking worden nagestreefd. Het Goddelijke voor je eigen karretje spannen.....Het gemeenschappelijke draagvlak is ver te zoeken. Men beschouwt elkaar daarentegen als concurrenten, steelt en copieert, dat het een "lust" is.....

Het wezen van spiritualiteit is het deel-zijn van het Geheel. In en door het Goddelijke zijn wij allemaal - en met ons de hele schepping - met elkaar verbonden. Individualisme - het cultiveren van je "eigen" spiritualiteit - hoe mooi je het ook voor je zelf maakt - druist in tegen het Wezen ervan en heeft met ware spiritualiteit weinig te maken. Als ik daarentegen samenval met het Ene, dan omarm "ik" het hele universum, niets uitgezonderd. "Naar binnen gaan" - als het goed is - en mededogen zijn daarom twee kanten van dezelfde medaille. Het Goddelijke blijkt niet alleen "in jeZelf", maar ook "om je heen" te zijn. In de huidige collectieve zelfverslaving is mededogen echter ver te zoeken. Wij zijn dus terug bij af.

Alsof dit nog niet treurig genoeg is. In het laatste decennium werd er nog een schepje bovenop gedaan. De schrijvers noemen dit de vercommercialisering. Het was slechts een kwestie van tijd of ook het bedrijfsleven zou "de waarde van de spiritualiteit" gaan ontdekken. In de eerste plaats wordt het werk in het bedrijf door steeds meer mensen als zinloos ervaren. Ja, bij het hele systeem met zijn medogenloze winstbejag ten koste van de mensen, de menselijkheid en de natuur, worden vraagtekens geplaatst. "Zingeving" wordt dus plotseling een issue om mensen te motiveren. Dus wat doen onze "clevere managers?" Juist, zij breiden hun plunderingen uit naar het gebied van de spiritualiteit. Om daar te ontdekken, dat er hele schatten verborgen liggen.*

* Hetzelfde gebeurt met de "alternatieve" geneeskunde. Bestond er ooit de hoop, dat deze een ommekeer zou bewerkstelligen, blijkt nu dat deze geheel in dienst is komen te staan van de rat race en de technologische maatschappij. De laatste is maar wat blij met al die reiki-masters, de leefstijladviseurs, de alternatieve genezers, de voetzoolreflexmasseuses, de detoxprogramma's en de wellnessinstituten........Genezing, waartoe?

Yoga en t'ai chi brengen je in balans; met behulp van het enneagram kun je medewerkers beter inschatten - dus manipuleren; Zen verbetert de helderheid van geest; intuitive ontwikkelingen maken je alerter "voor wat de markt vraagt"; emotionele training verbetert de onderlinge verhoudingen op de werkvloer; tarot stimuleert zelfkennis cq je visionaire vermogens en alle methoden bij elkaar zijn uitstekend geschikt voor het ontwikkelen van leiderschap. Mits je natuurlijk gekwalificeerde trainers kunt vinden. Nu, die bieden zich tegenwoordig bij bosjes aan om - net als iedereen - een stuk van de cake te bemachtigen. Het is het moderne "spiritueel-commerciële complex".* Hier is niet alleen God ver te zoeken, maar heeft de mammon zijn plaats ingenomen: Spiritualiteit als een instrument om de effectiviteit cq de winstmarges van het bedrijf op te voeren......

* Mijn definitie.

Tot slot proberen de schrijvers "oplossingen" aan te bieden. Dit is het zwakste gedeelte van het boek. Ze komen niet verder dan te mompelen over een bescheiden aantal spiritueel-geinspireerde sociale initiatieven. Die de redding zouden moeten brengen. Hier onderschatten zij de ernst van een situatie, die zij zelf hebben blootgelegd. De crisis gaat veel dieper, daarom moet de "oplossing" overeenkomstig zijn. Deze laatste komt voort uit het inzicht in het tijdsgebeuren. "Alles is in verval en loopt uit op het niets" wordt gezegd. Dit "niets" is echter niet het einde, maar - spiritueel gezien - het Grote Vacuum waar alles voortdurend in terugkeert en opnieuw uit voortkomt. Voortdurend sterven en opnieuw geboren worden dus. Dat wat in archaïsche tijden de "Kosmische Baarmoeder" of de "Grote Moeder" werd genoemd.

Het Christendom heeft het "sterven en opnieuw geboren worden" van ons afgenomen en in Jezus geprojecteerd, de enige van wie het "heil" kon worden verwacht. Wij zijn echter allemaal - zonder uitzondering - ingebed in het Kosmische Vat van Regeneratie. In plaats van je angstig te verzetten tegen de afbraak, werken bewuste mensen met het proces mee, vanuit het inzicht dat het het ego is dat afgebroken wordt. "Sterf je, dan word je gered". Het is dus allemaal net even anders. Het grote keerpunt is de ontdekking van Transformatie die in het diepst van de (bodemloze) Kosmische Schoot verborgen ligt. De Redding cq het overwinnen van je existentiële angst bestaat uit je vertrouwensvol over te geven aan het Onbekende - dat in Werkelijkheid een liefdevolle "Grote Moeder" is - om daar wedergeboren te worden.*

* Zie ook: Han Marie Stiekema "De Schoot van het Universum" (voorlopig ontwerp).

Een oude maar actuele tekst (?!)
A. Vloemans "Schenkende deugd"

Elke levensvorm heeft zijn eigen levensdeugd, want elke levensvorm verwerkelijkt levenswaarden en in déze verwerkelijking is de zin en de taak des levens gelegen. Maar ook omgekeerd: al wat zedelijke waarde heeft, stelt zijn eisch aan alle menschen - in beginsel. Want niet iedereen is in staat dezen ethischen eisch van waarde-verwerkelijking te vernemen. Niet iedereen heeft oog en begrijpend inzicht voor alle ethische levenswaarden: geen menschelijk geestesoog kan den ganschèn rijkdom der levenswaarden omspannen. Want tot in het oneindige, en dan nog naar verschillende richtingen, breidt zich de rijkdom der levenswaarden uit. Het ethische leven van den mensch en van de menschheid in haar geheel is hier het best te vergelijken met het beeld van de bron: steeds nieuwe waarden wellen er uit op, niemand omspant in zijn ethisch bewustzijn, al hetgeen reeds aan waarden is verwerkelijkt geweest, niemand weet, wat zich nog verwerkelijken zal.

Alleen dit eene stelt men bij voortduring vast, dat zich steeds weer nieuwe levenssituaties voordoen, nieuwe conflicten ook. Al deze situaties en conflicten dwingen tot hernieuwde inspanning van het ethisch inzicht, lokken nieuwe beslissingen uit en leiden tot ont-dekking (in dezen meest letterlijken zin van het woord) van nieuwe levenswaarden. Want aan deze conflicten scherpt zich niet alleen het ethisch inzicht, uit deze conflicten worden in den geest de ethische waarden geboren. - En de verscheidenheid der waarden is werkelijk zonder eind. Want alle levens zijn verschillend van elkander en in verschillende richting aan verschillende fundamenteele waarden georienteerd.

Alle levens hebben dus ook onvermijdelijk een ander punt van aanraking met den ideëelen globus der levenswaarden. Want er zijn beschroomde en drieste menschen, er zijn standvastige en eeuwig beweeglijke menschen, er zijn open en gesloten menschen, er zijn vertrouwenswaardige en er zijn onoprechte menschen; er zijn edele en gemeene individuen, bescheiden en aanmatigende, er zijn voorname en lage, er zijn vertrouwende en wantrouwende, er zijn beheerschte en onbeheerschte, er zijn dappere en laffe, er zijn wijze en onwijze, er zijn rechtvaardige en onrechtvaardige menschen. Geen is geheel zonder levens deugd. - Er zijn groote en er zijn kleine menschen. De schenkende deugd echter is bij uitstek de deugd van de grooten van ziel en geest.

De schenkende deugd draagt haar naam eerst sinds kort. Eeuwenlang is zij naamloos geweest, hoewel zij in de meest op den voorgrond tredende figuren uit de geestesgeschiedenis der menschheid ook het duidelijkst tot uitdrukking is gekomen. Misschien heeft zich deze verhevenste levensdeugd te zeer aan het oog van de spraakmakende gemeente onttrokken en is zij juist door deze verhevenheid naamloos door de geschiedenis gegaan. Als hoogste geestesdeugd kon zij slechts worden benaamd door een pionier; door één der allersterksten van geest, door iemand, die zichzelf en de andere grooten van den geest begreep en over voldoende taalscheppend genie beschikte om het nog ongenoemde door een naam in zijn wezen uit te drukken en aldus tot schooner, rijker leven op te wekken. Nietzsche, deze laatste groote ont-dekker van ethische levenswaarden, deze laatste groote ethische figuur, die evenals alle edelmetaal zijn kostbaar erts slechts geeft, nadat de slakken aan de oppervlakte zijn verwijderd, heeft als eerste beproefd, deze zeer bizondere deugd nader te omschrijven, in dit wonderlijk profetische boek, dat Also sprach Zarathustra heet.

"Zegt mij toch: hoe kwam goud tot de hoogste waarde? Daarom, wijl het ongewoon is en onnuttig en lichtend en mild van glans; het geeft zich steeds. Slechts als afbeeldsel van de hoogste deugd kwam goud tot deze hoogste waarde. Gulden licht de blik van den schenkende. Goud-glans sluit vrede tusschen zon en maan. Ongewoon is de hoogste deugd en: onnuttig, lichtend is zij en mild van glans: een schènkende deugd is de hoogste deugd. Waarlijk, ik doorzie u wel, mijne Jongeren: gij tracht, gelijk I ik, naar de schenkende deugd. Wat zoudt gij met katten en wolven gemeen hebben? Het is uw dorst, zelf tot offers en geschenken te worden: en daarom hebt gij den dorst, alle rijkdommen in uw ziel op te hoopen.

Onverzadiglijk tracht uw ziel naar schatten en kleinoodiën, omdat uw deugd onverzadiglijk is in het wegschenken-willen. Gij dwingt alle dingen tot u en in u te komen, opdat zij uit uw bron terugstroomen zullen als de gaven van uw liefde. Waarlijk, tot een roover van alle waarden moet zulk een schenkende liefde worden; maar heilzaam en heilig heet ik deze zelfzucht. Zegt mij, mijne Broeders, wat geldt bij ons als het slechte en slechtste? Is het niet ontaarding? - En ontaarding vinden wij altijd, waar de schenkende ziel ontbreekt."

Hiermede is de schenkende deugd in hare wezenlijke karaktertrekken, in hare ongewoonheid en hare onnuttigheid, haren lichtenden en milden glans, omschreven. Als zoodanig is zij een ongemeene, een koninklijke deugd, de deugd der machthebbers van den geest. Wonderlijk-merkwaardig is zij in hare ongewoonheid, omdat zij in het bewustzijn van haren onuitputtelijken rijkdom zich verheft boven de tegenstelling van geven en ontvangen, omdat zij ontkent, dat het uitstroomen van schatten verarming veroorzaakt, omdat zij met een koninklijk gebaar de wet van het behoud der energie terzijde zet, omdat zij leert, dat geestelijke rijkdom niet gebonden is aan de wetten van de stof, doch zich tot in het onbeperkte kan vermeerderen.

Want waar de schenkende deugd van haren innerlijken rijkdom doet uitstroomen, verrijkt zij niet alleen den ontvanger, maar ook den schenkende zelf, in plaats van hem te verarmen. In den schenker zelf gaat niets verloren en hij vermeerdert nog zijn rijkdom met de vreugde van te kunnen en te mogen schenken. In het rijk van de ideëele goederen, van de geestelijke waarden, in de onzichtbare republiek van den geest, heerscht een andere wet van geven en nemen, dan in de wereld van de stoffelijke goederen. In beide rijken kan men spreken van" bezit", maar dit bezit draagt beide malen een geheel verschillend karakter.

Men kan geestelijke goederen, geesteswáárden, niet alleen, als enkeling, in persoonlijk eigendom bezitten. Geestelijke waarden gedijen slechts op den breede bodem van de menschengemeenschap in het onzichtbare in-elkander-grijpen der schake!s van geslacht op geslacht. Met dit eeuwig veranderende en in wezen toch geheel gelijkblijvende beeld der menschheid zijn de geesteswaarden onlosmakelijk verbonden. Wetenschap, recht en moraal, taal-bezit en kunst-bezit, cultuur-bezit in het algemeen, zijn als zoodanig waarden der gemeenschap, nimmer van den enkelen mensch. Geestelijke goederen behooren dus, in beginsel, aan iedereen, aan ieder individu, als deel dat tegelijk repraesenteerend spiegelbeeld is van het geheel, waartoe het als enkeling behoort. Ieder mensch hééft dus noodzakelijk deel aan deze gemeenschapswaarden, deze cultuurgoederen, -_ zij dit deel in vele gevallen ook nog zoo gering. Eerst door dit deelhebben wordt hij mensch in den eigenlijken zin van het woord, want mènsch en cultuur-bezittend, cultuur-scheppend wezen zijn twee benamingen voor één zaak.

En schooner, rijker nog wordt deze verhouding van den mensch tot de cultuur, wanneer bij nader inzien blijkt, dat ieder individu voor een niet gering gedeelte zelf bepalen kan, door zijn vlijt, zijn inspanning, zijn belangstelling, in hoeverre, in hoe groote mate, hij deel wil hebben aan deze goederen van den geest, aan deze waarden der cultuur. Materieele schatten te verzamelen is niet aan iedereen gegeven, groote rijkdom aan den eenen kant stelt hier groote armoede aan den anderen kant voorop. Innerlijken rijkdom te vergaren staat in de macht van iedereen, zonder mate, zonder grens, in zoo verre hij maar wil, d.i. tot in het eindelooze, want het. willen staat nimmer stil, men kan steeds meer, steeds hooger willen. En deze rijkdom bestaat daarbij niet ten koste van de armoede van anderen, integendeel geestelijke rijkdom wil zich mede-deelen, zàl zich mededeelen ten bate van alle anderen. Wat in het stoffelijke onmiddellijk tot een ondeugd wordt, blijft in het rijk van den geest onder alle omstandigheden opperste levensdeugd.

Zoo is dan op geestelijk gebied het persoonlijk "bezit" niet anders bestaanbaar dan in den vorm van een deel-hebben, een mede-beheeren, een samen-werken met anderen in het midden van de menschelijke gemeenschap ten bate van de gemeenschap en eerst dóór de gemeenschap ook weer ten bate van alle enkelingen. Men kan, dat spreekt, 'zijn geestelijke gaven ongebruikt, braak laten liggen; men kan zijn geestelijk bezit anderen zeer wel onthouden. Men kan, dat spreekt, het wezen van den geest verzaken en geestelijke goederen behandelen, als waren zij persoonlijk, eigendommelijk bezit. Doch nimmer zal zulks de handelwijze van de geestesmachtigen kunnen zijn, want geestelijke rijkdom wil uitstroomen, moet uitstroomen wil hij wèrkelijk zijn en kunnen werken. Het is integendeel steeds de levenshouding van de kleinen, de hebzuchtigen van geest. Doch in het dagelijksch leven noemt men dit geestelijk egoïsme niet eens een ondeugd, het behoort tot de weinige levensbetrekkingen, die door de zeldzaamheid van hun voorkomen of de gecompliceerdheid van hun wezen in het spraakgebruik nog "naamloos" zijn. En toch is ook deze zelfgenoegzaamheid, deze enggeestigheid en bekrompenheid, evenzeer te misprijzen als de correspondeerende ondeugd op stoffelijk gebied. Doch evenals de gierigheid zichzelf straft met onverzadiglijke begeerte, zoo straft ook dit geestelijke egoïsme zich met verarming, - een verarming, die te schriller afsteekt bij den wassenden rijkdom van den schenkende.

Geestelijke rijkdom wil schenken. Alle geestelijke goederen eischen deze ontlediging. Want met dezelfde natuurlijke kracht, waarmede de steen ter aarde valt, streven de geestelijke waarden naar algemeene erkenning, streven zij naar hun des geestes-zijn, d.i. voor de gemeenschap zijn. Zoodat men hier met recht kan zeggen: de bezitter moet hier schenken, zoodra hij tot het bewustzijn komt van zijn "bezit". Vandaar de natuurlijke, elementaire, overtuigende kracht, waarmede de ware geestelijke leider in de geschiedenis van de menschheid optreedt. Zelf een hooger rijk betreden hebbend, kan hij niet nalaten, zijn broeders in de stuwing mee omhoog te voeren, zal hij anderen helpen zelfstandig de baan te betreden naar dit geestelijk rijk - dat de menschen in zich opneemt en met elkander verbindt, onzichtbaar, daar het "niet van deze aarde is."

Dit mede-deelen en deze hulp behooren dus beide tot de levenshouding van hem, die de schenkende deugd beoefent. Want deze schenkende deugd is ondanks hare bizonderheid toch één van de talloos vele levensbetrekkingen tusschen de menschen onderling. Ook zij gaat van mensch tot mensch evenals alle andere levensdeugden, zij het ook op een zeer eigen, ongemeene manier. Ook de schenkende deugd, de deugd bij uitstek der allergrootsten onder de individuen van het menschelijk geslacht, is een vorm van liefdesbetoon. Want niet alleen om het schenken en het schenken kunnen, maar ook, in zeker opzicht althans, om den ontvanger is het den schenker te doen.

Doch de schenkende deugd is niettemin een geheel andere vorm van menschelijk liefdes betoon, dan die welke tot uitdrukking komt in de naastenliefde, in de persoonlijke liefde of in het medelijden. Deze drie deugden hebben bij hun overspringen van den gever op den ontvanger steeds een bepaalden persoon op het oog, waarop het liefde-werken zich richt. Zij zijn deugden van de menschelijke nabijheid, van de menschelijke intimiteit zelfs. De schenkende deugd daarentegen is bij uitstek de deugd van de distantie, de deugd, die afstand houdt, noodzakelijk houden moet, omdat zij zich niet richt op een bepaalden mensch, maar omdat zij in feite zich instelt op een groep, vaak scherp, vaak minder scherp omschreven, en in haar diepste wezen steeds tot de menschheid in haar geheel wil spreken. Want haar beperking ligt niet in haar wezen, doch uitsluiténd in de uiterlijke omstandigheden, die meermalen, bij meer dan één schenkend individu, met de kilheid van gevangenismuren haar werken hebben onmogelijk gemaakt. Menig rijke van geest, die schenken wilde, is tegen deze wanden te pletter geloopen met zijn schat. Doch zoodra het haar gegeven is te schenken, schenkt zij ook in het wilde weg, met den overvloed en de onuitputtelijkheid van sommige windbloeiers, zonder te vragen, wie ontvangt, zonder te wéten, wie ontvangt. De boom weet niet, waar de zaden zullen vallen, groeien en zelf tot vruchtbaarheid zullen gedijen.

Onder welken gezichtshoek men de schenkende deugd ook beschouwt, telkens weer treedt haar wonderlijkste kenmerk teI voorschijn. Het ligt in haar wezen, dat de schenker, ondanks alle veruiterlijken van zijn bezit, ondanks alle mede-deelen van zijn rijkdom, in eigeruijken zin toch niets wèggeeft, niets verliest. De schenker groeit mede in den geestelijken groei van de ontvangers; hoe meer de anderen nemen, hoe rijker zij hem zullen zien, hoe rijker hij zal zijn. De schenker oogst niet alleen de vreugde van het schenken; hij wint door den weerklank, dien hij vindt, aan geestelijke kracht en diepte, want eerst wanneer zijn overvloed in anderen kiemt, groeit en bloeit, kan hij tot het besef komen van de grootte van zijn innerlijken rijkdom. Vandaar de grootste smart van alle geestesgrooten: het niet begrepen worden; een bron te zijn in de woestijn, waar niemand komt om te drinken; te zwellen van geestelijke vruchtbaarheid en de schil van onverschilligheid niet te kunnen breken, zoodat de zaden moeten verdorren.

De schenkende deugd is de kenmerkende levenshouding van den mensch, die leeft in het bewustz_n van den overvloeienden rijkdom der geestelijke goederen en tegelijk dezen rijkdom laat overstroomen, laat overvloeien naar anderen, naar diegenen, die nemen willen, in beginsel dus naar allen. En als het nimmer allen kunnen zijn, hoopt zij op zoovelen als mogelijk. Want de schenkende deugd wordt nimmer moede van schenken, wordt nimmer ledig van schenken. Schenken kan zij tot in het oneindige. Zoo spot deze schoone menschelijke deugd met alle regels van de arithmetica. De ontvanger groeit door den schenker, maar ook omgekeerd: de schènker wast door de velen, die ontvangen. Beiden. schenker en ontvanger, groeien boven zich uit en in hun groei, hun werkzaamheid, bestaat de evolueerende, voortschrijdende geestesbeschaving der menschheid, want van dit eigenaardige wisselwerkingsproces van geven en nemen hangt de vermeerdering der beschavingswaarden af, de geestelijke groei van de menschheid in haar geheel. De schenkende deugd is de pionier van den geestelijken, daarin begrepen ook den zedelijken, vooruitgang van de menschheid.

Uit "Menschen als Goden"1930 Leopold's
(Niet alle hoofdstukken van het boek zijn even relevant)

                                            Terug                                           

 © 2005 Copyright Han Marie Stiekema
Last revising: 04/29/06